Toespraak Ton van Reen – 5 Mei Festival

SundayFolk & More Recensies

BEVRIJDING EN VRIJHEID

74 jaar geleden zijn we bevrijd van de Duitse bezetters van Nederland. Vrij van de oorlog. Daarom mogen we feesten. Maar van de mensen die de bevrijding bewust hebben meegemaakt, zijn er bijna geen meer over.
En veel mensen die de oorlog hebben meegemaakt, hebben zich nooit echt bevrijd gevoeld.
Bij de bevrijdingsfeesten, op 5 mei 1945, waren er veel mensen niet bij. Ze konden er niet bij zijn, omdat ze niet thuis waren. Nog niet teruggekeerd uit de gevangenschap in de lagers van de dwangarbeid in Duitsland.
Onder hen waren ook een aantal mensen uit Sevenum en Kronenberg, en veel andere dorpen in Midden- en Noord-Limburg.

Een van de aspecten van de oorlog waar, tot vijftig jaar na de oorlog, weinig aandacht aan was besteed, was het verhaal van de dwangarbeiders in Duitsland. Van driehonderdduizend Nederlanders, waaronder drieduizend mannen en jongens uit Noord- en Midden-Limburg. Achteraf is dat vreemd. 
Het lag ook een beetje aan hen zelf. Ze hebben er zelden of nooit over gesproken. Na thuiskeer was er ook weinig of geen belangstelling voor hun verhalen. Daar moet worden bij gezegd dat er in het algemeen in de naoorlogse jaren weinig over de oorlog werd gesproken. We wisten er ook niet heel veel van. We hadden het tijdperk van de oorlog wel meegemaakt, maar we hadden er weinig kennis van.

Na de oorlog verscheen het tijdschrift KIJK, met alleen maar verhalen over de oorlog, die zich wereldwijd had afgespeeld, en over de oorlog in Indonesië, en hoorden we er pas echt over. Buiten wat zich op lokaal niveau had afgespeeld, wisten we weinig over het hoe en wat. We hadden vooral informatie meegekregen van Duitse zijde. En van met de Duitsers heulende kranten, zoals de Telegraaf.

Pas tegen het einde van de oorlog, toen de bevrijding in aantocht was, kregen wij er in Limburg echt veel mee te maken. Toen op 8 oktober 1944 de Duitsers bij razzia’s veel mannen ontvoerden naar Duitse werkkampen. En daarna volgde Operatie Market Garden, het terugdrijven van de Duitsers, in Brabant en Gelderland. En het drama bij de brug in Arnhem, die een brug te ver was voor de geallieerden.

Tot in 1944 was het leven vooral alledaags doorgegaan. Met kermissen en voetbalcompetitie. Wel met ernstige incidenten, hier en daar, maar het woeden van de oorlog was niet hier. En na de korte hevige oorlog in Noord-Limburg, werden we spoedig bevrijd. Veel eerder dan de overkant van de Maas, zoals Venlo en Roermond, maar ook Nederland boven de rivieren. Daar werd nog een ijzige hongerwinter beleefd.

Dat is 74 jaar geleden.

En na de oorlog waren we bezig met de wederopbouw. De algemene gedachte was dat Nederland weer moest worden zoals het voor de oorlog was geweest. Men was vergeten dat de jaren dertig vooral gekenmerkt waren door een armoedige crisistijd, maar die was achteraf bezien, gevoelsmatig, minder erg dan de oorlog. En de katholieke Kerk liep voorop om Limburg en Brabant weer net zo behoudend katholiek te restaureren als deze provincies waren in de jaren voor de oorlog.
Er was geen tijd voor de verhalen van de dwangarbeiders, net zo min was er aandacht voor de Joden die de vernietigingskampen hadden overleefd. Of voor de Roma en Sinti, die over waren gebleven. Hier dacht men dat de verhalen van de Joden heel veel minder erg waren dan die van de dwangarbeiders. Trouwens, over Joden wisten wij niet veel, net zo min als over Roma en Sinti. Al zijn er wel uit deze groepen veel bij ons ondergedoken, die de oorlog hebben overleefd. Vooral door helden en heldinnen, zoals Hanna van der Voort uit Tienray, die meer dan honderd Joodse kinderen uit treinen heeft gered.

Ook nadat de dwangarbeiders thuis waren gekomen, vaak een half jaar of langer nadat wij hier waren bevrijd, voelden ze zich niet bevrijd. Velen van hen hebben, door de herinneringen aan de verschrikkingen die hen zijn overkomen in Duitsland, zich nooit kunnen bevrijden van de hel die ze daar hebben meegemaakt. De vrijheid zoals wij die nu kennen, was voor hen een brug te ver.
Pas vijftig jaar na de oorlog, toen de meeste dwangarbeiders al oud waren, of er niet meer waren, ontstond er belangstelling voor de geschiedenis van de dwangarbeiders. Wel laat. Hier en daar hadden ex-dwangarbeiders hun herinneringen opgeschreven, voor familie en vrienden. Pas nadat, vooral door toedoen van bestuursleden van de Heemkundevereniging in Helden, de Stichting Deportatie oktober 1944 was opgericht, begonnen de getuigenissen binnen te stromen.
Waarna er werd besloten, in samenwerking met het Oorlogsmuseum in Overloon, en de provincie Limburg, twee boeken en een lesbrief voor scholen te publiceren. Een groot overzicht van alles wat met de dwangarbeiders in Noord- en Midden-Limburg is gebeurd, werd het boek SPOREN DIE BLEVEN, door historicus Fred Cammaert. En een boek over het leven van een dwangarbeider, vooral gericht op en bedoeld voor jongeren, het boek GESTOLEN JEUGD. Die laatste opdracht kreeg ik. Ook schreef ik de lesbrief OORLOGSBRIEVEN, voor basisscholen.

Waar te beginnen? Uit Midden- en Noord Limburg kwamen meer dan drieduizend dwangarbeiders, die opgepakt waren bij de kerkrazzia van 8 oktober. Fred Cammaert ging alle historisch bekende feiten onderzoeken. Hij sprak met veel ex-dwangarbeiders en verzamelde alles wat in archieven te vinden was. In Duitsland was er ook veel, want de administratie van de Duitsers was zoals immer: gründlich.

Mijn taak was het vooral om te beschrijven wat er in de mensen zelf was omgegaan, in hun hoofden. Dat vooral. Niet alleen de historische feiten, maar vooral hoe ze persoonlijk, en ieder voor zich, de dwangarbeid hebben beleefd. En hoe het thuisfront hun gemis heeft beleefd, gedurende het driekwart jaar, waarin wij hier in Limburg al waren bevrijd. Driekwart jaar waarin de meeste dwangarbeiders en hun thuisfront niets van elkaar hoorden. Thuis wisten ze niet of hun mannen en zonen nog leefden. Wij waren bevrijd maar in Duitsland ging de oorlog nog heftig door.

WAT WAS ER GEBEURD?
Op zondag 8 oktober, een dag met zomers weer, vingen de Duitse soldaten de mannen en jongens die naar de kerk waren geweest op, en namen hen gevangen. Voor arbeid. De meesten maakten ze wijs dat ze aan de verdedigingslinie, de Westwall, moesten gaan werken. In plaats daarvan werden ze afgemarcheerd naar Venlo, in goederenwagons gepropt en afgevoerd naar de werkbestemmingen. Daar waren dringend arbeiders nodig, omdat de Duitse mannen vooral in het leger dienden, of dood waren. Veel dwangarbeiders werden geplaatst op boerderijen. Duitsland werd vooral overeind gehouden door vrouwen, op de akkers en in de fabrieken. En gevangenen. De voedselvoorziening in Duitsland was hopeloos.
Maar veel mannen kwamen terecht in een barakkenkamp in Salzgitter, bij de hoogovens, en de Hermann Goering Werke, waar wapens, zoals granaten werden gemaakt.

Ook in Sevenum en Kronenberg was er een grote razzia, op 8 oktober 1944. In Sevenum werden 206 mannen en jonge mannen opgepakt. En 9 mannen van de Heierhoefweg, toen gemeente Grubbenvorst. In Kronenberg werden 69 mannen opgepakt, van wie er negen overleden in Duitsland.
Alle informatie over de kerkrazzia’s in alle dorpen staat in het boek SPOREN DIE BLEVEN.
Op 17 en 18 oktober vonden nog klopjachten plaats, in onder meer Sevenum, met weinig resultaat in Sevenum, want het dorp lag onder vuur van Britse artillerie.

De mannen die bij een boer terechtkwamen hadden het beter getroffen dan de mannen die in de granatenfabriek en de oorlogsindustrie te werk werden gesteld. Velen van hen hebben zich hun leven lang schuldig gevoeld, omdat ze hadden gewerkt aan wapentuig dat tegen ons werd gebruikt. Want de oorlog ging, nadat wij in Limburg bevrijd waren, gewoon door, ook boven de rivieren. En daar beleefden de mensen een vreselijke hongerwinter.
Hoewel de dwangarbeiders in de granatenfabrieken gedwongen waren dit werk te doen, hadden er veel na de oorlog toch altijd nog gewetensproblemen. Dit was een belangrijke reden voor hen om niet te praten over wat ze hadden meegemaakt.

Voordat ik aan het boek GESTOLEN JEUGD begon, heb ik gesprekken gevoerd met minstens vijftig ex-dwangarbeiders.  In feite kreeg ik steeds ongeveer hetzelfde verhaal te horen. Ze hadden allemaal eenzelfde soort dingen meegemaakt, vooral veel ellende waaraan ze niet echt herinnerd wilden worden. Toch waren ze blij dat anderen het na vijftig jaar wel wilden horen.
De een had wat meer, de ander wat minder geleden. Wie in de suikerfabrieken van Gross Mahner terecht was gekomen, had het minder zwaar gehad dan wie in de hoogovens en de granatenfabrieken van de Hermann Goering Werke in Salzgitter terecht was gekomen. Wie in de landbouw, bij boeren werd ondergebracht, had het meestal nog enigszins goed getroffen, want daar was meestal redelijk goed te eten. Terwijl de mensen die in de granatenfabriek werkten soms om kwamen van de honger.

Bij al die gesprekken bleek dat ze niet zo veel vertelden over de razzia waarbij ze waren opgepakt, over hun werk in Duitsland en over hoe ze zelf hadden geleden. Ze vertelden heel veel meer over hun GEMIS. Het grootste leed dat ze hebben geleden, was het leed dat in hun hoofd zat. Het gemis van thuis. Hun gezin. Hun ouders.

Omdat het boek GESTOLEN JEUGD vooral voor jongeren was bestemd, in het kader van het plan ‘we mogen de oorlog niet vergeten’, heb ik als hoofdpersoon de jonge Leo Steeghs uit Beringe genomen. Hij was pas vijftien jaar oud toen hij bij de kerkrazzia in Beringe werd meegenomen. Hij kwam bij de hoogovens terecht, waar hij op de gloeiende slakkenberg moest werken. Waar hij, in zijn dunne zondagse pak, andere kleding kreeg hij niet, bijna dood is gevroren. Zijn voeten op de hel. Zijn hoofd op de Noordpool. Hij heeft zware bombardementen op de granatenfabrieken overleefd. En helemaal op het eind werd hij ingezet tussen de puinhopen van de stad Hildesheim, waar hij opnieuw veel bombardementen overleefde en slachtoffers moest bergen.

Nadat het boek was verschenen heb ik weer veel ex-dwangarbeiders gesproken. Vooral tijdens de driedaagse busreizen die de Stichting Dwangarbeid voor ex-dwangarbeiders en hun familieleden naar de plekken waar ze hadden gewerkt, had georganiseerd. Een paar herkenden zich niet in het verhaal van de jonge Leo Steeghs, ook al hadden ze hetzelfde als hij beleefd. Ze hadden allemaal de razzia’s meegemaakt. De reis meegemaakt naar de plaatsen van bestemming in goederenwagons, althans de meesten van hen. Vooral zij die in de granaatfabrieken en hoogovens hadden gewerkt, hadden met Leo in hetzelfde kamp geleefd, met dezelfde ontberingen, dezelfde angsten en met dezelfde honger.
Het verwijt was meestal: je had MIJN verhaal moeten opschrijven. Mijn verhaal was veel erger dan het verhaal van Leo Steeghs. Daar ben ik over na gaan denken.

Natuurlijk kon ik in één boek niet alle verhalen van alle dwangarbeiders uit Limburg, van wie er ook nog eens meer dan honderd omgekomen waren, beschrijven. Dat begrepen ze ook wel, maar hun eigen verhaal was voor hen het belangrijkst. Het eigen leed is het allergrootste leed. Hun eigen leed, daar hadden ze verslag van willen zien. Over wat er in hún hoofden zat, maar wat ze nooit verteld hadden. Wat er ook tegenover Fred Cammaert en mij nooit was uit gekomen, daar hadden ze toch wél over willen lezen. Het verhaal over hun eigen persoonlijke strijd. Over hun eigen wil tot overleven. Dat was waar ze vijftig jaar na de oorlog méér over wilden lezen dan wat ze er zelf over hadden verteld. Ze waren meesters geworden in het verzwijgen.

Ik begreep heel goed dat van elk van hen de herinneringen totaal anders waren. Dat ze alle drieduizend in dat driekwart jaar in Duitsland allemaal in een andere werkelijkheid hadden geleefd. Het waren de omstandigheden waarin ze leefden die hun leven hadden bepaald. Ze hadden dan wel alles ongeveer hetzelfde beleefd, maar ze waren wel allemaal heel andere personen. Er waren vaders van grote gezinnen bij, die zich veel zorgen maakten over hun geliefden van wie ze, driekwart jaar lang, niets of weinig meer hoorden. Die vaders van gezinnen beleefden hun gevangenschap heel anders dan de jonge mannen en jongens zoals Leo Steeghs, ook al waren ze allemaal vervuld van hetzelfde gevoel van heimwee naar huis. Ze beleefden elk hun gevangenschap totaal anders. Dus ook hun herinneringen waren later anders.

Het waren allemaal heel verschillende mensen. In hun hoofden beleefden ze allemaal heel andere zaken dan alle anderen om hen heen. Met andere gedachten. Met andere gevoelens, die ook niet met anderen te delen waren. Ook omdat ze de meeste mannen bij wie ze in het werk en in de barakken waren ingedeeld niet kenden. En die anderen kenden hen niet.

En dan waren er ook de ongelijkheden en de verdeeldheid onder hen zelf. In de werkkampen verbleven mensen van allerlei standen, de vooroorlogse wereld was een standenmaatschappij. Ze zaten lange maanden bij elkaar, bij elkaar gepropt. De fabrieksdirecteur met de jongste arbeider. De gemeentesecretaris met de dagloner. Ze sliepen dicht op elkaar op britsen, in hun vuile kleren. Ze roken elkaar. De hygiënische omstandigheden waren heel slecht. Ook in de barakken bleven de standen bestaan. De hoger geplaatsten gedroegen zich toch vaak als de baas over de minder hooggeplaatsten in de dorpse maatschappij.

En er waren er die eten deelden en er waren er die om eten vochten, vooral in die ijzige hongerwinter. Er ontstonden vriendschappen voor het leven, maar er ontstonden net zo veel vijandschappen voor altijd.

En toen ze eenmaal thuis waren, de meesten die in de oorlogsindustrie hadden gewerkt niet veel meer dan geraamtes, was in Nederland geen opvang. Hun thuisreis was veelal ook heel problematisch verlopen. Door de geallieerde bevrijders werden ze vaak gewantrouwd, en soms weer in kampen opgesloten. Er was argwaan tegen hen. Ze werden vaak gezien als naar Duitsland gevluchte NSB-ers. Dat was een morele knak. Ze dachten bevrijd te zijn, maar werden vaak gezien als overlopers naar de Duitsers.

Opvang was ook nauwelijks mogelijk na de thuiskomst van meer dan driehonderdduizend dwangarbeiders. En anderen, zoals de Joden, die de vernietigingskampen hadden overleefd. Gewoonlijk kwamen de Joden per trein aan in Nederland en werden op stations afgezet. En moesten het dan maar uitzoeken. En vaak waren hun huizen met inboedel en al door dubieuze makelaars verkocht.

De meeste ex-dwangarbeiders voelden zich aan hun lot over gelaten. Op een enkeling na ontvingen ze geen schadeloosstelling. En velen voelden zich bezwaard, omdat de mensen thuis en in hun woonplaats vaak ook weinig verschil wisten tussen de dwangarbeiders en de mensen die al vanaf 1942 en 1943, sommigen min of meer vrijwillig, in Duitsland waren gaan werken, vaak gedwongen door de hoge werkloosheid in Nederland, en die daar veel minder geleden hadden dan de dwangarbeiders. De werkwilligen, die vaak als verraders werden gezien, en de dwangarbeiders werden op één hoop van memorie gegooid. Men wist niet beter.

Er was ook weinig respect voor de dwangarbeiders. Men wist niet wat ze hadden meegemaakt. Jonge mannen die thuis kwamen werden vaak opgeroepen om dienst te nemen in het leger en naar Indonesië gestuurd, waar ze als soldaat opnieuw terechtkwamen in een gruwelijke oorlog. Ze waren opnieuw gedwongen. Veel van de dienstplichtige soldaten die in Indonesië hebben gediend, hebben daar later ook nooit over gepraat. Vaak ook uit schuldgevoel. Ook over die oorlog is heel veel jaren gezwegen. Pas na 1970 kwam de discussie op gang. Die is nog lang niet afgelopen.

Ook het thuisfront had veel geleden. Gezinnen waren beschadigd. De geallieerde soldaten waren niet alleen heel lief voor meisjes en vrouwen geweest. De thuiskomende vaders moesten verhalen over seksuele vrijpostigheden, en erger, van hun vrouwen en dochters aanhoren.

En het was ook moeilijk om te vertellen over hun lijden en over hun medegevangen dwangarbeiders die de oorlog niet hadden overleefd. Zo werden nabestaanden van omgekomen dwangarbeiders maar sporadisch op de hoogte gesteld van hoe hun man of zoon was omgekomen.

In het algemeen wilde men niet veel over de oorlog horen. Iedereen vond dat hij zelf meer dan genoeg ellende had meegemaakt en hoefde over de ellende van al die anderen niet te horen. En veel kennis over de oorlog was er ook niet. Pas nadat de kranten en het weekblad KIJK uitgebreid aandacht aan de afgelopen oorlog gingen besteden kwam men er achter wat er in die Tweede Wereldoorlog in de hele wereld was gebeurd. Van de gaskamers in onder meer Auschwitz hebben de meeste mensen pas na de oorlog gehoord.

En zo klapten ook de ex-dwangarbeiders het boek met hun herinneringen in hun hoofd dicht. En spraken ze er niet over. Tot in de jaren negentig de verhalen eindelijk werden verteld. En een aantal ex-dwangarbeiders hun herinneringen opschreven. Sommigen deden dat al tijdens hun gevangenschap, maar hielden thuis hun aantekeningen in de kast.

In het Museum in Helden liggen meerdere van die vaak handgeschreven boekjes en schriften, met de verhalen die in vijftig jaar niet waren verteld. Wat daar het meeste uit duidelijk wordt, is wat ze in hun hoofd hebben beleefd. Het heimwee. Het verlangen naar huis. Het gemis. En eenmaal thuis wilden ze vooral de ellende in Duitsland vergeten.

Ze waren dan wel vrij. Maar de meeste ex-dwangarbeiders hebben zich nooit echt vrij gevoeld.

De busreizen voor de dwangarbeiders en hun familieleden naar de plekken waar ze hadden gewerkt, maakten veel tongen los. Er kwamen steeds meer verhalen in de openbaarheid. Dat deed de meesten van de ex-dwangarbeiders goed. Hun leed werd erkend.
Er werd een monument voor de dwangarbeiders onthuld bij het Oorlogsmuseum in Overloon. En kleine monumenten werden geplaatst in alle dorpen waar razzia’s waren geweest. En schildjes ter herinnering werden aangebracht op alle kerken waar mannen waren opgepakt.
Vrijheid is een groot goed. De helft van de mensen in onze wereld leeft in staatkundige of religieuze dictaturen. Wij zijn vrij. Wij allemaal?